Begrijpen Jehova’s Getuigen de aard van seksueel misbruik?

Achtergrondinformatie

Jehova’s Getuigen pretenderen al heel wat jaren aan voorlichting en preventie te doen waar het om seksueel misbruik gaat. Toch geven de vele berichten aangaande seksueel misbruik binnen deze religieuze gemeenschap een signaal af dat kinderen niet voldoende worden beschermd. Veel slachtoffers werden verder getraumatiseerd door hoe ouderlingen met hun omgingen. Dit doet onder meer de vraag rijzen of Jehova’s Getuigen de aard van seksueel misbruik wel goed begrijpen. In dit artikel wordt getracht hier enig inzicht in te krijgen.

Definities van seksueel misbruik

De organisatie van Jehova’s Getuigen hanteert de volgende definitie van seksueel (kinder)misbruik (Brief ‘Aan alle lichamen van ouderlingen’, 1 september 2017):

Seksueel kindermisbruik is een perversiteit en omvat over het algemeen geslachtsgemeenschap met een minderjarige; orale of anale seks met een minderjarige; het strelen van de geslachtsorganen, borsten of billen van een minderjarige; het begluren van een minderjarige (voyeurisme); exhibitionisme tegenover een minderjarige of een minderjarige aanzetten tot seksuele handelingen. Afhankelijk van de omstandigheden kan het ook betrokkenheid bij kinderporno of sexting met een minderjarige omvatten. Sexting is het elektronisch versturen van seksueel expliciete berichten of foto’s.

Ter vergelijking de definitie van Movisie (2015):

Seksueel misbruik is elke vorm van seksuele grensoverschrijding waarbij sprake is van seks tussen een volwassene met een kind omdat hier per definitie sprake is van ongelijkwaardigheid, of andere situaties waarbij misbruik wordt gemaakt van een leeftijds- of machtsverschil, bijvoorbeeld wanneer een leerkracht seks heeft met een leerling of een hulpverlener met een cliënt. Seksueel misbruik van kinderen wordt ook wel seksuele kindermishandeling genoemd.

Bij Movisie omschrijft seks met een kind per definitie als misbruik, omdat er sprake is van ongelijkwaardigheid. De definitie van Jehova’s Getuigen noemt dat machtsverschil of die  ongelijkwaardigheid niet, terwijl dat juist een rol speelt bij seksueel misbruik. In plaats daarvan worden een aantal concrete seksuele handelingen benoemd.

Onterechte link met homoseksualiteit

Onder Jehova’s Getuigen is het gebruikelijk dat een pionier – iemand die fulltime evangelisatiewerk doet – regelmatig samenwerkt met jonge Getuigen van Jehova en voor hen als voorbeeld dient. Raymond Hintjes, voorzitter van stichting Reclaimed Voices, was ooit pionier. Toen van hem bekend werd dat hij homoseksueel is, werd hem gezegd: “Misschien is het niet verstandig dat je nog langer met jonge ‘broertjes’ in de velddienst gaat”. Men leek te suggereren dat iemand vanwege zijn seksuele oriëntatie geneigd zou kunnen zijn tot seksueel kindermisbruik.

Ditzelfde denken zien we in het tijdschrift Ontwaakt! van 8 oktober 1993 met de titel ‘Uw kind is in gevaar’ dat bij het voorlichtingsmateriaal op de website staat. Hierin wordt gezegd dat seksueel kindermisbruik een oud probleem is en verwijst dan naar het Bijbelse verhaal van Sodom en Gomorra. Het artikel spreekt over een ‘seksueel uitzinnige menigte Sodomieten, variërend “van knaap tot grijsaard”, die eropuit waren Lots twee mannelijke gasten te verkrachten’. Vervolgens trekt men de conclusie dat de betrokken jonge knapen duidelijk ‘al ingewijd waren in homoseksuele praktijken’. Nergens in dat Bijbelverhaal wordt over seksueel kindermisbruik gesproken. Jehova’s Getuigen brengen hier echter vanuit hun interpretatie onterecht homoseksualiteit in verband met seksueel misbruik.

Al in de Ontwaakt! van 22 september 1982 werd seksueel misbruik van jongens rechtstreeks in verband gebracht met homoseksualiteit. Om aan te geven hoe lang Jehova’s Getuigen al aan preventie van seksueel misbruik doen, zwaaide Tony Morris, lid van het Besturend Lichaam van de organisatie, tijdens de uitzending van JWbroadcasting van juli 2015 met dit tijdschrift. Hij zei aangaande het artikel ‘Kuikentjes en haviken’: “It warned about homosexual men who prey on and advocate the right to use boys for sex.” Het lijkt alsof het verschil tussen pedoseksualiteit en homoseksualiteit niet wordt gezien. Het artikel maakte deel uit van een serie over ‘De nieuwe moraal’.

‘…dan zou je wel gegild hebben’

In de documentaire Sex abuse accusation within the Jehovah’s Witnesses van W5, vertelt Katja dat ze op tienjarige leeftijd tegenover de ouderlingen zat – alleen mannen – en moest vertellen over haar seksueel misbruik. Er werd haar gevraagd of er getuigen van waren. Bij seksueel misbruik is dit zelden tot nooit het geval. De ouderlingen konden daarom niets doen en zeiden dat ze het ‘in Jehova’s handen’ zouden laten. Eén ouderling zei nog tegen haar: ‘Als jij echt seksueel misbruikt zou zijn, zou je wel gegild hebben als een speenvarken. Dat heb je niet gedaan, dus is het niet gebeurd.’  Een harde en ongevoelige uitspraak die naar mijn idee aangeeft dat deze ouderling niet alleen empathisch vermogen mist, maar bovendien geen idee heeft van de aard van seksueel misbruik. Een slachtoffer is vaak niet in staat om te schreeuwen, vanwege dwang of ‘bevriezen’.

Zou deze ouderling hebben gedacht aan het Bijbelgedeelte in Deuteronomium 22:23-27? Daar wordt gesproken over een verloofd meisje dat wordt verkracht. Indien zij niet heeft geschreeuwd, dan ging men er kennelijk vanuit dat ze met de seksuele daad had ingestemd en moest ze net als de dader worden gestenigd. Seks met iemand terwijl je al bijna getrouwd was met een ander werd onder de wet van Mozes beschouwd als overspel en daarop stond de doodstraf. Vanuit dit soort Bijbelteksten denken brengt als gevaar met zich dat een slachtoffer niet wordt geloofd of dat de focus ligt op de vraag of iemand iets verkeerds heeft gedaan, terwijl de aandacht juist uit zou moeten gaan naar zorg voor het slachtoffer.

Gewetenstraining bij voorlichting?

In het filmpje Bescherm je kinderen (les 17) dat gebruikt wordt als voorlichtingsmateriaal voor kinderen, worden de kleine David en Sofie geleerd  ‘nee’ te zeggen tegen mensen die ze iets willen laten doen wat niet mag. Volgens de ‘vader’ hebben ze hiertoe van Jehova een geweten gekregen, om hun te beschermen en te waarschuwen als er iets verkeerds gebeurt. Vervolgens willen de ouders in het filmpje het geweten van de kinderen testen en vragen ze wat ze zullen doen als iemand ze iets zegt wat ze niet prettig vinden, ze bang maakt, of iets vragen te doen waar ze zich niet prettig bij voelen. Het goede antwoord is dat ze luid ‘stop’ of ‘nee’ moeten zeggen en weglopen. Bovendien moeten ze het tegen hun ouders zeggen en geen geheimen voor hen hebben.

Bij seksueel misbruik is er doorgaans sprake van een machtsverschil, afhankelijkheidsrelatie of wordt gebruik gemaakt van emotionele en psychische manipulatie. In dit filmpje lijkt daar aan voorbijgegaan te worden.  Kinderen zijn kwetsbaar en vaak niet in staat nee te zeggen. Er is ook een merkwaardig gebruik van de term ‘geweten’. Het geweten is iets wat jouzelf waarschuwt wanneer je iets verkeerds dreigt te doen, niet wanneer je in gevaar bent of een ander iets verkeerds doet. De ‘training’ van het geweten suggereert dat de kinderen zelf een verantwoordelijkheid dragen als het gaat om het voorkomen van seksueel misbruik.

Nog iets wat opvalt in het filmpje is dat het gevaar wordt voorgesteld als een ‘duister spook’. Dat terwijl een kind meestal misbruikt wordt door een bekende, iemand die door het kind wordt vertrouwd, zoals de vader, een oom of die aardige ouderling in de gemeente.

Hoofdstuk 32 van het boek Lessen van de Grote Onderwijzer staat ook in het rijtje met voorlichtingsmateriaal aan kinderen. Het hoofdstuk begint met een illustratie over hoe een moedervogel haar jongen beschermt. Dan volgt een lang stuk dat vertelt hoe Jezus als baby door God beschermd werd. Het verhaal krijgt een wending wanneer het kind verteld wordt dat Satan en zijn demonen hem kwaad willen doen. Zij willen graag dat mensen seksuele omgang hebben die God niet goed vindt, zo wordt gezegd. Ook hier wordt het voorbeeld van Sodom en Gomorra genoemd, waar ‘’jongens en ook oude mannen’, seks wilden hebben met de mannen die bij Lot op bezoek waren’. Dat het hier ‘jongens’ betreft die seks wilden hebben met (volwassen) mannen, lijkt de zaak om te draaien en ook in de huidige tijd een kind (mede)verantwoordelijk te stellen voor wat er gebeurt.

Het hoofdstuk gaat verder over de ‘slechte dingen’ die anderen je misschien willen laten doen. Op de vraag hoe je je tegen mensen kunt beschermen die zulke slechte dingen doen, wordt gezegd dat je nooit iemand met je geslachtsdelen moet laten spelen. Als dat toch gebeurt, moet je heel hard schreeuwen: “Niet doen! Ik ga het zeggen!” Het kind wordt gezegd dat het moet weglopen en het moet vertellen, ook al probeert de dader je om te kopen met cadeautjes of bang te maken. Als het kind werkelijk bij machte was om te schreeuwen of weg te lopen, zou het dat waarschijnlijk wel doen.

Het lijkt erop dat het kind vooral geleerd wordt wat ‘moreel verwerpelijk’ is. Daarbij rijst het idee dat jij als kind dient te voorkomen dat je iets doet wat slecht is of daarin betrokken raakt, in plaats van dat jou door een ander iets naars wordt aangedaan.

Ook theologisch valt er wel wat te zeggen over dit hoofdstuk. Wat doet het met een kind dat seksueel misbruikt wordt en leert dat God Jezus wél beschermde? Waar is diezelfde God als jij slachtoffer wordt van seksueel misbruik? 

Focus op zonde

In de brief van 1 september 2017 met daarin het huidige beleid inzake seksueel misbruik, staat in paragraaf 14 het volgende:

“Voor slachtoffers van seksueel kindermisbruik zal er geen rechterlijk comité worden gevormd. Maar als het lichaam van ouderlingen van mening is dat er toch gemeentelijke aandacht nodig is voor een minderjarige die een bepaalde mate van volwassenheid vertoont en die gewillig meewerkte aan het kwaaddoen, dan moeten twee ouderlingen voordat er verdere actie ondernomen wordt eerst de Dienstafdeling bellen.”

Je zou kunnen zeggen dat als er sprake is van ‘gewillige meewerking’, iemand niet misbruikt is. Men lijkt zich hier af te vragen of de wat oudere minderjarige zich misschien schuldig heeft gemaakt aan ‘porneia’. Bij Jehova’s Getuigen is iedere vorm van seks buiten het huwelijk een zonde. Ouderlingen zijn er op gespitst de gemeente rein te houden en personen die een zonde hebben begaan terecht te brengen. Daarmee komen we op een onderliggend probleem als het gaat om seksueel misbruik. De focus ligt op de religieuze moraal, op de vraag of iemand een zonde heeft begaan of niet.

De focus op het ‘zondige’ van de seksuele daad op zich, wordt geïllustreerd door een voetnoot bij een serie artikelen over seksueel misbruik in Ontwaakt! van oktober 2007:

“Seksueel misbruik van een kind vindt plaats als een volwassene een kind gebruikt om zijn of haar eigen seksuele behoeften te bevredigen. Vaak is daarbij een vorm betrokken van wat de Bijbel hoererij (porneia) noemt, wat het strelen van de geslachtsdelen, geslachtsgemeenschap en orale of anale seks kan omvatten. Sommige andere vormen van misbruik, zoals het strelen van de borsten, expliciete immorele voorstellen, samen met het kind pornografisch materiaal bekijken, voyeurisme en exhibitionisme kunnen neerkomen op wat de Bijbel veroordeelt als „losbandig gedrag” of ’hebzuchtig bedreven onreinheid’. — Galaten 5:19-21; Efeziërs 4:19.”

Seksueel kindermisbruik wordt hier in verband gebracht – bijna gedefinieerd – met verschillende gradaties van zondigen. Door het te benaderen als een zonde, gaat de aandacht uit naar het ‘redden’ of terechtbrengen van de zondaar. Het doel is om deze tot berouw te brengen zodat hij weer in een ‘goede verhouding tot Jehovah’ kan staan. Dit kan tot gevolg hebben dat de aandacht vooral uitgaat naar de dader. Ook is er een gevaar dat men een slachtoffer als dader behandelt, door te onderzoek of zij/hij zich (mede)schuldig heeft gemaakt aan immoraliteit.

Restricties die worden opgelegd, alsook uitsluiting uit de gemeenschap, hebben primair tot doel de zondaar terecht te brengen. Het is bedoeld om hem tot berouw te brengen, hem te doen inzien dat zijn handelwijze onjuist is met de bedoeling de zondaar weer ‘op het rechte pad’ te krijgen. Dit is een strikt religieuze benadering. In tegenstelling hiermee is een gevangenisstraf na een veroordeling door een wereldse rechtbank bedoeld als straf voor de gedane misdaad en om de samenleving te beschermen.

Een gevaar van de ‘zonde’ benadering is dat maar al te gemakkelijk gedacht wordt dat de zondaar vervolgens niet in herhaling zal vallen. Hierdoor worden het slachtoffer en andere kinderen onvoldoende beschermd.

Conclusie

Met betrekking tot seksueel misbruik lijkt er weinig tot geen oog te zijn voor machtsverschil, voor lichamelijke, psychische of andere vormen van dwang of manipulatie. Men lijkt weinig inzicht te hebben in wat er met een kind gebeurt dat seksueel wordt misbruikt. Geheel onjuist wordt er een verband gelegd met homoseksualiteit, wat men op één lijn lijkt te zetten met pedoseksualiteit. Als een rode draad komt telkens weer de focus op (im)moraliteit naar voren, waarbij men kijkt of en welke zonde er is begaan. Een focus die voortkomt uit de religieuze opvattingen van Jehova’s Getuigen.

Onwetendheid omtrent de aard van seksueel misbruik staat een goede preventie en tijdige herkenning in de weg. In het geval van de tienjarige Katja leidde het ertoe dat een ouderling geen geloof hechtte aan haar verhaal. Gebrek aan inzicht kan ook tot gevolg hebben dat ouderlingen de traumatische gevolgen van seksueel misbruik voor het slachtoffer ernstig onderschatten.

In het handboek voor ouderlingen (2010, p.59) staat aangaande het bemoedigen van hen die als kind zijn misbruikt de instructie dat het niet nodig is ‘tijd te besteden aan het lezen van wereldse literatuur over psychologie of psychiatrie’. Het is waar dat ouderlingen slechts ‘geestelijke herders’ zijn en geen psychiater of therapeuten – zoals het handboek zegt – maar extra kennis tot je nemen kan helpen slachtoffers betere zorg te bieden. Het gevaar is dat ouderlingen nu voornamelijk afgaan op de informatie die door de organisatie wordt verstrekt. Dat betekent dat ook hun begrip van de aard van seksueel misbruik hierdoor wordt gevormd.

Een mogelijke reden voor de organisatie om zich niet verder in achtergrondkennis te verdiepen, alsook haar volgelingen hier van te weerhouden, is dat het hen confronteert met ideeën die in conflict zijn met hun Bijbelse opvattingen. Telkens weer lijkt het uiteindelijke onderliggende probleem te zijn dat men er bepaalde religieuze opvattingen op na houdt die alle voortkomen uit het idee dat men de enige ware religie heeft en een organisatie is die door God wordt geleid. Vanwege die veronderstelde ‘goddelijke leiding’ is men ervan overtuigd dat de eigen richtlijnen de beste zijn. Men heeft geen achtergrondkennis nodig, de wijsheid van de wereld is dwaasheid in hun ogen.

Aanbeveling

Bovenstaande pretendeert geenszins een volledig onderzoek te zijn. Het is slechts een eerste indicatie dat Jehova’s Getuigen de aard van seksueel misbruik niet goed begrijpen. Het zou goed zijn hier verder kwalitatief onderzoek naar te doen. Ook zou onderzocht moeten worden in hoeverre het huidige begrip, dat vooral op religieuze opvattingen gebaseerd is, een goede preventie van seksueel misbruik of juiste zorg aan slachtoffers in de weg staat.

Wellicht is  het aan te bevelen het voorlichtingsmateriaal voor kinderen te laten beoordelen door een godsdienstpedagoog.

Bronnen