De blinde vlek van het ‘ware religie’-denken

Achtergrondinformatie

“Je zult ze herkennen aan hun vruchten”, zei Jezus volgens Mattheus. “Je kunt toch geen druiven plukken van een doornstruik of vijgen van een distel? Zo draagt elke goede boom goede vruchten, terwijl elke slechte boom slechte vruchten draagt” (Matth. 7:16,17). Zo leren Jehova’s Getuigen dat de ware religie duidelijk te herkennen is aan de  geloofsovertuigingen en het gedrag van haar aanhangers. (Dat Jezus hier sprak over het herkennen van ‘valse profeten’ en niet over een ‘ware religie’ laat men buiten beschouwing.)

Volgens Jehova’s Getuigen zijn de leerstellingen van de ware religie gebaseerd op de Bijbel, die gelezen wordt als Woord van God. Beoefenaars van de ware religie aanbidden alleen Jehova, maken zijn naam bekend en vertellen wat voor persoon Hij is. Zij hebben echte liefde voor elkaar, want hieraan zouden Jezus discipelen volgens Johannes 13:35 te herkennen zijn. Ze aanvaarden Jezus Christus als middel tot redding, wat zowel betrekking heeft op verzoening door Jezus’ dood als zijn komst als toekomstig koning. Ware aanbidders zijn geen deel van de wereld,  zij blijven neutraal ten opzichte van politiek en zij verkondigen  Gods Koninkrijk als enige hoop voor de mensheid.

Het is niet moeilijk te concluderen dat bovengenoemde kenmerken van ‘de ware religie’ ogenschijnlijk van toepassing zijn op Jehova’s Getuigen zelf. De eigen overtuigingen worden gezien als de enige ware. Zij zien niet dat hun wijze van Bijbellezen al voortkomt uit een geloofsvoorstelling, men ziet het als ‘de Waarheid’. En daarmee worden alle andere religies als ‘vals’ gezien. Deze scheiding is voor Jehova’s Getuigen heel belangrijk: aanhangers van de ware religie aanbidden Jehova, alle andere aanbidden Satan (de duivel). Ware religie leidt tot eeuwig leven, valse religie leidt tot vernietiging.

Goed versus kwaad

De ‘vruchten’ waaraan de ware religie te herkennen is, kunnen en mogen alleen maar goed zijn. In ‘Gods organisatie’ is voor het kwaad geen plaats. Het kwaad is iets wat tot de buitenwereld behoort, tot de wereld die in de macht ligt van ‘de goddeloze’ (duivel). Wanneer dan het kwaad in eigen gelederen wordt aangetroffen, wordt het beschouwd als iets wat men zo snel mogelijk moet zien kwijt te raken.

Borgman (2012) zei iets soortgelijks aangaande de Katholieke kerk waar het kwade als ‘een vreemd element’ wordt gezien wat vanuit de buitenwereld binnendringt. Op die manier kan de kerk zichzelf als heilig blijven beschouwen. Niet voor niets zei de woordvoerder van de Jehova’s Getuigen eind december in het Nederlands Dagblad dat het hoofddoel is om ‘de organisatie zuiver te houden’. Zuiverheid of heiligheid hoort bij de ware religie, het beeld dat ze van zichzelf hebben.

Het is echter een illusie te denken dat het mogelijk is een organisatie zuiver te houden of te geloven dat men ‘het kwaad’ buiten kan houden. Sterker nog, door dit idee is de kans groot dat het kwaad, wanneer dit toch plaatsvindt, wordt verdrongen. Het mag er niet zijn. Men wil niet dat het er is en de kans bestaat dat men het daardoor ook niet ziet. Deze focus op de organisatie, op de zuiverheid van de eigen religie laat slachtoffers van seksueel misbruik in de kou staan. Zij worden niet erkend in hun verhaal.

‘Je kunt geen enkele organisatie, geen enkele instelling, bewaren voor het kwaad’, schrijft Bärbel de Groot – Kopetzky (2013). ‘Je kunt letten op minimalisering van gelegenheden, maar er zullen altijd mensen zijn die bezwijken voor de verleiding, voor het kwaad. Als je een te zwaar moreel appèl doet, werk je geheimhouding en ondoorzichtigheid in de hand. Je zult moeten belijden dat de kerk ook een menselijke instelling is, met falende mensen.’

Cognitieve dissonantie

Zou het kunnen dat Jehova’s Getuigen het probleem niet zien, dat er sprake is van verdringing? Een situatie met seksueel misbruik binnen ‘de ware religie’ levert zeer waarschijnlijk cognitieve dissonantie op:  het past niet binnen het beeld dat ze van zichzelf hebben, evenals de daad van seksueel misbruik niet past bij een Jehova’s Getuige die volgens de richtlijnen leeft.

De werkelijkheid van seksueel misbruik – het kwaad in eigen gelederen – is dus in tegenspraak met het religieuze ideaal. Om die spanning kwijt te raken kan men het volgende doen: óf men moet erkennen dat de eigen religie niet beter is dan andere en dat slechte dingen ook bij hen voorkomen, óf men houdt vast aan het ‘ware en goede religie’-beeld en verdringt de werkelijkheid.

Van de alleen-maar-goede en rechtvaardige God kunnen de richtlijnen alleen maar goed zijn. God weet het beste hoe de mens moet leven en gelukkig wordt. Zo kan ook Gods organisatie alleen maar goed zijn in de beleving van de gelovige Jehova’s Getuige. Als er al iets misgaat, ligt het aan de onvolmaaktheid van mensen. Een zondaar kan terechtgebracht worden, wie geen berouw toont kan worden uitgesloten. Daarmee is de organisatie – de ‘ware religie’ – weer rein.

In het denken van een Jehova’s Getuige kán het niet zo zijn dat de organisatie een beleid heeft dat niet goed omgaat met seksueel misbruik en een omgeving creëert waar plegers hun gang kunnen gaan.

Existentiële onrust

De overtuiging deel uit te maken van Gods ware religie is hier fundamenteel. Het is hetgeen zin geeft aan opoffering en hoop biedt voor de toekomst. Wat als je moet toegeven dat jouw religie niet anders is dan alle andere? Ben je daarvoor al die jaren langs de deuren gegaan? Heb je daarvoor al die feestdagen niet gevierd? Heb je je daarvoor afgescheiden gehouden van iedere politieke discussie? De sociale omgang met buren en collega’s beperkt? En waar blijft dan het vooruitzicht op eeuwig leven in het (aards) paradijs?

Dan heb je als ouderling nog die extra verantwoordelijkheid naar de organisatie die je vertegenwoordigt. Geconfronteerd met seksueel misbruik binnen eigen gelederen is de kans groot dat er morele paniek uitbreekt: hoe te zorgen dat de organisatie weer rein wordt en men voor zichzelf en de buitenwereld aan het ideaalbeeld kan blijven vasthouden? Om het probleem op te lossen moet men zich houden aan de richtlijnen van ‘Gods organisatie’.

De gelovigen zien zich voor een onmogelijke gedachte geplaatst. Erkennen dat het beleid van de organisatie tekortschiet komt neer op twijfelen aan God zelf. Waarom heeft Hij geen duidelijker instructies laten opschrijven in de Bijbel? Of, waarom geeft hij geen duidelijker uitleg door aan diegenen die de leiding hebben in de organisatie? Het is een gevaarlijke gedachte te veronderstellen dat het God zelf is die hierin tekortschiet. Beangstigend ook, want wie durft God ter verantwoording te roepen?

Twijfelen aan de goedheid van Jehova God en aan het ware van de eigen religie is als rammelen aan de fundamenten van het eigen bestaan. Wellicht voelt het veiliger verhalen over seksueel misbruik af te doen als incidenteel of leugens van afvalligen.

Doelbewust?

Bij een beschuldiging van seksueel misbruik, moeten de ouderlingen meteen contact opnemen met de juridische afdeling van het bijkantoor. Op dat bijkantoor komen alle meldingen over seksueel misbruik binnen van de regio waarover zij toezicht heeft. Er zijn dus hogergeplaatste Jehova’s Getuigen die wel degelijk op de hoogte moeten zijn van de omvang van het probleem.

Het idee rijst  dat er bewuste stappen worden ondernomen de organisatie te beschermen. Overal ter wereld zorgen Jehova’s Getuigen dat er minimaal aan de wetten van het land wordt voldaan om problemen te voorkomen.  Behalve als deze wetten in strijd zijn met ‘Gods wetten’. Dan beroept men zich op godsdienstvrijheid.

In eigen publicaties en videoboodschappen wordt gesuggereerd dat negatieve berichtgeving in de media aangaande seksueel misbruik van ‘afvalligen’ afkomstig zou zijn, of aanvallen zijn van Satan. Ware christenen zouden vervolgd worden en zo bevestigen ze voor zichzelf nog eens de ‘ware religie’ te hebben.

Of probeert men toch de eigen achterban en buitenstaanders te misleiden? Is hier sprake van opzet of maken deze strategieën deel uit van het reduceren van cognitieve dissonantie? Kan het zijn dat ze zelf zo hardnekkig graag willen blijven geloven in hun ‘ware religie’ dat ze blind zijn voor de werkelijkheid?

Eigen werkelijkheid

Om een probleem op te lossen, zal men eerst moeten erkennen dat het probleem er is. Het vereist bewustwording en een zelfkritische houding om te erkennen dat de eigen religieuze organisatie niet vrij is van kwalijke praktijken en in het geval van seksueel misbruik zelfs bijdraagt aan het probleem.

Het lijkt alsof we hier te maken hebben met een blinde vlek – misschien zelfs wel een collectieve blinde vlek op organisatorisch niveau – waardoor deze mensen in een eigen werkelijkheid leven en het probleem niet zien. Mogelijk (onbewust) niet willen zien.

Blinde gehoorzaamheid aan een instituut dat beweert Gods organisatie te zijn, de ware religie waaraan men niet mag twijfelen, houdt de volgelingen in de illusie. Immers, twijfelen is gevaarlijk voor het geloof en ongehoorzaamheid aan de organisatie is ongehoorzaamheid aan God.

Wachten op God…

 Dat seksueel misbruik van kinderen op grote schaal voorkomt in de wereld als zodanig, verbaast Jehova’s Getuigen niet. Volgens hun geloof leven we in de ‘laatste dagen’ die ‘moeilijk te doorstaan zijn’. Dat zouden tijden zijn waarin mensen zichzelf liefhebben en geen natuurlijke genegenheid hebben (2 Timotheüs 3:1-5).  De huidige situatie kan alleen maar betekenen dat het einde nabij is. Nu heel binnenkort zal Jehova God ingrijpen. Dan zal Hij een eind maken aan alle valse religie. Hij zal alle mensen die Hem niet aanbidden vernietigen in Armageddon.

Jehova’s Getuigen hoeven alleen maar te wachten op Jehova die hun zal redden van hun tegenstanders, van degenen die wijzen op problemen rond seksueel misbruik binnen hun gemeenschap.  Het leidt tot een houding die maakt dat ze reactief reageren op eisen van buitenaf, enkel om zo veel mogelijk problemen uit de weg te gaan. Ze vertragen processen rond onderzoeken of rechtszaken, door er zo weinig mogelijk aan mee te werken.

Nog even volharden, zo houden ze zichzelf voor. Misschien komt Armageddon wel op tijd….

Bronverwijzing:

One thought on “De blinde vlek van het ‘ware religie’-denken

Geef een reactie